Remmen, iedere autobezitter die ik ken vindt de remmen een behoorlijk essentieel onderdeel. Eerlijk is eerlijk, indien je remt doe je dat meestal niet voor niets. Remmen kost namelijk energie (benzine dus) en in plaats van versnellen (is veel leuker) gaan we er langzamer van rijden, dit terwijl we eigenlijk wilden rijden (stilstaan doet die auto al genoeg). Al met al remmen we dus met een goede reden, bijvoorbeeld een overstekend kinderklasje op weg naar de zwemles... Als we remmen zou het heel vervelend zijn als ze het ff niet doen!
Wat betreft de regelgeving kunnen we ‘de remmerij’ opdelen in 3 stukken.
1. Visuele controle (mechanische toestand, roest, slijtage etc)
Indien er zichtbaar mechanische delen aan vervanging toe zijn door slijtage maar alles nog wel goed functioneert, wordt dit een adviespunt. Remslangen waarvan het canvas zichtbaar is tussen de droogte scheurtjes leidt tot afkeur! Indien een remslang opzwelt tijdens het intrappen van het rempedaal (bult erop dus) is dit ook een reden tot afkeur. Een slechte handremkabel (buitenmantel gebroken/doorgeroest) trouwens ook. Wat soms tot vervelende maar heel zinnige reparaties leidt is de eis omtrent putcorrosie van de remleidingen. Indien de geroeste remleidingen na het schoonkrabben met een mesje roestputten hebben is dit afkeur. Dit is maar goed ook, want als een remleiding springt terwijl je net een noodstop maakt…….
Verder mag zich op een remschijf voor maximaal 50 % van het werkzame oppervlak per kant roest bevinden.
2. De manier van het meten van de remvertraging en de bijbehorende verschillen
Hiervoor wil ik eerst wat uitleggen. Je vertraagt het meest (staat het snelst stil) als je zo hard remt dat je net niet slipt. Maar als je remt duikt de auto naar voren. Hierdoor wordt de druk op de voorwielen groter en zal de wrijving tussen de voorbanden en de weg toenemen. Tegelijkertijd neemt de wrijving tussen de achterbanden en de weg af. Hoe groter de druk van de band op het wegdek, hoe minder snel de banden gaan slippen en hoe harder je dus kunt remmen.
Volgens de wet mogen we de werking van de remmen op drie verschillende manieren beoordelen. Met een remplatenbank, een rollenbank en een remvertragingsmeter.
Bij een remtest op een rollenbank zal de auto niet naar voren duiken. Omdat de voorwielen dus niet zwaarder onder druk komen te staan zullen deze eerder slippen dan als je tijdens het rijden remt. Bij een rollenbank spreek je dan ook niet over een remvertraging maar over de relatieve beremming, wat aangeduid wordt in percentages. Bij een rollenbank wordt heel betrouwbaar en nauwkeurig de remkracht per wiel gemeten. Hieruit volgt een berekening waaruit de relatieve beremming, het remverschil en de eventuele overberemming van de achteras. De “rijsnelheid” waarmee gemeten wordt ligt rond de 4 km/uur.
Bij een remplatenbank duikt de auto wel naar voren tijdens het remmen en meet je de remvertraging, wat aangeduid wordt in m/s2. Een remplatenbank is nogal gevoelig. Hierbij wordt heel snel een remverschil gemeten. Er wordt in ieder geval twee keer gemeten (om evt fouten uit te sluiten) bij een lage snelheid (10 km/uur). De gemeten waarde geeft de remvertraging van de auto, het remverschil en de eventuele overberemming van de achteras.
Bij zowel de rollenbank als de remplatenbank geldt dat indien de beremming van de achteras een, afhankelijk van de bouwwijze, voorgeschreven waarde overtreft, er een rijproef op de weg gedaan moet worden. Bij deze rijproef moet er een noodstop gedaan worden om te bepalen of de achteras uitbreekt. Pas indien de auto uitbreekt wordt de auto afgekeurd op overberemming van de achteras.
Als laatste een remproef met een remvertragingsmeter. Een remvertragingsmeter is een kastje dat in de auto geplaatst wordt en dat meet hoe hard de auto afremt tijdens de rijproef. Hierbij wordt tevens gekeken of de auto tijdens het remmen naar links of naar rechts trekt (in verband met een evt remverschil). Het grootte voordeel van deze meting is dat het een proef is bij 50 km/uur. Hierdoor is het een echte remproef. Een nadeel is dat een remverschil, met name op de achterwielen minder snel opgemerkt wordt.
3. Opsomming van de bij verschillende meetmethoden horende eisen
voor personenauto’s van na 30 juni 1967 met rollenbank.
- Relatieve beremming 52% Tenzij de rollenbank bij een pedaalkracht van 400 Newton afslaat op de voorste as 40%
- Parkeerrem 12 %
- Remverschil vooras maximaal 20 %
- Remverschil achteras tot 20 % = OK; van 20% tot 30% = rijproef i.v.m. eventueel scheeftrekken (boven 30% afkeur)
voor personenauto’s van na 30 juni 1967 met een remplatenbank.
- Remvertraging 5,2 m/s2
- Remvertraging parkeerrem 1,2 m/s2
- Remverschil vooras maximaal 20 %
- Remverschil achteras tot 20 % = OK; van 20% tot 30% = rijproef i.v.m. eventueel scheeftrekken (boven 30% afkeur)
voor personenauto’s van na 30 juni 1967 met een remvertragingsmeter.
- Remvertraging 5,2 m/s2
- Remvertraging parkeerrem 1,2 m/s2
NB: tijdens het remmen mag de auto niet scheeftrekken!
De hierboven genoemde parkeerrem is hetzelfde als een handrem. De handrem moet het op minimaal twee wielen doen! De genoemde waarden komen overeen met het parkeren op een helling van 16 % in beide richtingen. Eigenlijk is de genoemde 16 % de eis, dit is echter in een plat land als Nederland wat lastig testen (ik heb nl. geen helling in de tuin van 16%).
Nou ik hoop dat ik een en ander verduidelijkt heb met dit stukje, anders kun je altijd een vraag stellen op de
vraagbaak van mijn site. Ook suggesties voor een volgend onderwerp zijn welkom!
Groet,
Leen APK